Jacques (Jac) Boonen

Tongerlo, 1911 – Borchtlombeek, 1968


Aanbod Over Boonen Archief
 

Over Jacques Boonen


Jac Boonen maakt zijn meest radicale etsen als prille twintiger, tussen 1933 en 1936. In prenten als 'Kermis', 'Markt', 'Karnaval' en 'Sport' verbeeldt de jonge kunstenaar een horde mensen die zich kritiekloos zoet houdt met het moderne equivalent van wat de Romeinen ‘brood en spelen’ noemden. Deze nietsvermoedende mensenzee blijft in Boonens vroege grafische werken blind voor de haast fysieke dreiging van een onheil dat zich op de achtergrond ontvouwt. Als geen ander vertolkt Boonen de beklemming van de Grote Depressie.

Jac Boonen wordt in 1911 geboren in het Limburgse Tongerlo. Hij is de zoon van Jaak Boonen, een Vlaams schrijver die nauwe contacten onderhoudt met – onder meer – Emmanuel de Bom en Lode Baekelmans, maar ook met kunstkenner en bezieler van 'Sélection' André De Ridder. Na de Eerste Wereldoorlog – een gebeurtenis waaraan Jac traumatische herinneringen overhoudt – verhuist het gezin van Limburg naar de provincie Antwerpen, waar het neerstrijkt in Schoten.

De jonge Boonen droomt van het kunstenaarschap en trekt achtereenvolgens naar de academies van Roermond en Antwerpen. Zijn belangrijkste leermeester is Jules De Bruycker, de vader van de moderne grafiek in Vlaanderen. Mede door zijn toedoen verovert Boonen, met zijn kritische representatie van de stuurloze massa, zijn plaats in een kunsthistorische traditie die reikt van James Ensor tot Fred Bervoets.

Moderne -ismen revisited
Boonen debuteert als een uiterst sociaal bewogen kunstenaar. Een halve eeuw na de passage van Vincent van Gogh en Constantin Meunier in de Borinage verkent hij in de jaren 1932-1933 het dagelijkse leven in de Limburgse mijnen. Hij maakt er portretten van 'les gueules noires'. Maar bovenal tonen zijn bevreemdende evocaties van deze rauwe realiteit – in 'De mijn bij nacht' bijvoorbeeld – verwantschap met stills uit de bekende expressionistische film 'Metropolis' (1927) van Fritz Lang.

Want anders dan het lerarenkorps aan de Antwerpse Academie is de jonge Boonen niet blij dat het experiment met de moderne -ismen in de tweede helft van de jaren twintig op een dood spoor is beland.
Integendeel. De in 1933 tweeëntwintigjarige kunstenaar maakt in zijn reeks over ‘brood en spelen’ gulzig gebruik van invloeden uit het Italiaanse futurisme en uit het Duitse en Vlaamse expressionisme. Boonen blaast de moderne -ismen nieuw leven in om het experiment van de eerste generatie avant-gardisten opnieuw maatschappelijke slagkracht te verlenen in de turbulente jaren 193o.

Einzelgänger
Artistieke pottenkijkers zijn in deze periode niet langer gewenst. Boonen deelt enkele maanden zijn atelier met studiegenoot en houtsnijder Antoon Herckenrath, maar wanneer zijn kunst zich anno 1933 radicaal vernieuwt, kan hij geen gezelschap in zijn atelier meer dulden. In een brief aan Herckenrath schrijft Boonen: ‘Vooral nu dat ik voor gansch nieuw werk sta, wordt het mij lastiger en ik beken het nu eerst. Namelijk: dat ik de beker der verdraagzaamheid onmogelijk tot op den bodem kan ledigen’. En hij voegt eraan toe: ‘evenals Tintoretto zijn eigen vrouw verbood binnen in zijn atelier te gaan, zoo zou ik ook liefst alleen willen blijven.’

Van langsom meer ontpopt Boonen zich tot een einzelgänger die een hekel heeft aan het artistieke wereldje met zijn verfijnde omgangsvormen en sociale codes. Wanneer hij wordt uitgenodigd om deel te nemen aan een groepstentoonstelling, bedankt Boonen op welhaast futuristische wijze voor de eer. In een brief aan graficus Jacques Gorus klinkt het in maart 1938: ‘Ik doe liever 1oo liter in mijn Rossinante en lanterfanter langs de gulle wegen van Vlaanderen dan dáár met een bureaucraatische smoel naar eenige onbeduidende aapen te hengelen. Dus: krap me uit.’

Van de Ghelderode tot Brel
Een compagnon de route heeft de compromisloze Boonen intussen wel gevonden in de Franstalig-Belgische schrijver Michel de Ghelderode. Hij verzorgt het portret van de schrijver dat wordt afgebeeld in diens meesterwerk: 'La Balade du Grand Macabre'. Dat toneelstuk uit 1934 zal na de Tweede Wereldoorlog in Parijs een ware cultstatus genieten en nog later door Wannes Van de Velde worden hertaald. Ook het libretto van György Ligeti’s ‘anti-anti-opera’ 'Le Grand Macabre' uit 1978 is op het stuk gebaseerd.

De Ghelderode van zijn kant schrijft over het oeuvre van zijn goede vriend Boonen:

Plus que l’horreur de la face humaine qui faisait reculer Baudelaire – dont Ensor se vengea par la masque, De Bruycker par d’anamorphiques silhouettes – Boonen a exprimé la foule, les foules – Plebs si on veut les nommer. Il nous les montre aux prises avec les forces obscures, les machines féroces, les spasmes géants, l’angoisse de la vitesse et de la course au gouffre, les proies d’elles-mêmes à l’instar de la Bête Cataublépas qui se mangeait les pieds tant elle était stupide et inconsciente.

Wellicht is het die afkeer voor de menselijke domheid die Boonen na de Tweede Wereldoorlog – hij heeft zich intussen ontpopt als hoteluitbater in de Brusselse Wolstraat – deelt met een andere goede vriend: Jacques Brel. Maar die vriendschap zou ons evenals de ontwikkeling van het naoorlogse oeuvre van Jac Boonen hier te ver leiden en sparen we dus op voor een volgend verhaal.

© Walden Art Stories